De vlinder
Mijn adem stokte. In de stilte tussen twee hartslagen begreep ik het: sommige bezoekers komen niet om nectar te drinken, maar om herinneringen te brengen. Ze vouwde haar vleugels dicht en de wereld werd even doorzichtig. Ik zag alle mensen die ik had losgelaten en alle woorden die ik nooit had uitgesproken. Ze zaten gevangen in licht, wachtend tot iemand ze zou herkennen.
De vlinder trilde, een fractie van een seconde, en steeg weer op. Ze trok een dunne draad van zilver achter zich aan, recht door de lucht, recht door mijn borst. Het was geen wond, het was een naad. Iets in mij werd gehecht. Het verdriet kreeg een zoom, het gemis een kader. Vanaf nu kon ik ernaar kijken zonder erin te vallen.
Ze cirkelde één keer rond de oude appelboom waar mijn grootmoeder altijd zat te breien. De bladeren ritselden, al stond er geen wind. Toen verdween ze, over de heg, richting het licht dat tussen de wolken doorbrak.
Ik bleef achter met open handen. In mijn tuin bloeide niets nieuws, er was niets veranderd en toch was alles anders. De witte vlinder had me niet verteld dat alles goed zou komen. Ze had me laten voelen dat ik het al was. Dat wat gestorven lijkt, soms alleen van vorm verandert. Dat liefde geen lichaam nodig heeft om te landen.
Sindsdien laat ik de tuindeur op een kier. Niet om te wachten, maar om te ontvangen. Want als een witte vlinder je bezoekt, dan weet je: je wordt gezien, je wordt gedragen, je staat er nooit alleen voor.
Reacties
Een reactie posten