Ik zie je. En het is oké.
Ik zie je. En het is oké.
Soms vang je het in een blik, onuitgesproken, als een ademhaling die te lang in de keel blijft hangen. Achter de stilte verrijst een muur, niet geboren uit woede, maar uit een verlangen dat te vaak op koude bodem viel. Steen voor steen, woordeloos gemetseld met hoop die langs de rafelranden van teleurstelling afbrokkelde. Wie ooit zo zacht was, leerde zichzelf in schilfers en schaduwen te verbergen.Mensen verharden niet uit wil, maar uit noodzaak, zoals bomen hun bast verharden tegen de schrale vorst. Niet om de wereld te verloochenen, maar om staande te blijven in een werkelijkheid die niet altijd genadig is. Achter iedere harde blik schuilt nog steeds het kind dat geloofde in wonderen. Het hart dat liefhad zonder berekening, dat zich uitstak naar een horizon die ooit veilig leek.
Soms vergeet je dat dit kind nog steeds in jou ademt. Dat je hart, onder lagen van omzichtigheid, nog altijd klopt met een weergaloze ontembaarheid. Niet alles behoeft onmiddellijke genezing of afscheid. Sommige pijn rust als vochtige aarde, geduldig wachtend op de lome aanraking van de zon. Er schuilt wijsheid in traagheid. Er huist liefde in het wachten.
Zacht worden vraagt geen gevecht, geen toewijding aan uiterlijke bewijzen. Het is een heimelijk keren naar binnen, naar de bron die nooit werkelijk verdorde. Misschien herken je het in een ogenblik waarin niemand iets van je verlangt. In de fluistering van de wind langs je gezicht, of in de manier waarop een vogel een ogenblik gewichtloos hangt in het uitspansel — een geheim gedeeld, zonder plicht of preek.
Grenzen zijn geen muren die liefde weren, maar poorten die je met bedachtzame handen opent of sluit. Niet alles hoeft gedragen te worden, niet alles verdient een plek in jouw heiligdom. Juist in het eerbiedigen van jouw nabijheid, heilig je jouw hart. En soms ben jijzelf degene die je het meest nabij mag brengen, keer op keer, zonder voorbehoud.
“Er is niets zo weergaloos en liefdevol als de liefde die je eerst voor jezelf weeft”
Er bestaan geen vastomlijnde wegen om thuis te komen in jezelf. Soms is het een hand die zich bemoedigend op je eigen schouder vleit. Soms is het een verhaal dat je zachtjes aan de sterren toevertrouwt. Soms is het gewoon de nederige ademhaling, daar waar je nu bent. In het loslaten van haast ontkiemt iets: een stille moed, die weet dat leven geen wedloop is, maar een pelgrimage die stap voor stap, in eigen ritme, bewandeld wil worden.
“Ik zie je. Met alles wat je droeg, en alles wat je nog niet prijsgeven kon. Ik zie je. En het is oké”
Zacht is het geheim
Ergens,
achter de sluier van je ogen,
wandelt een verlangen,
onuitgesproken,
onaangeraakt.
Niet elke wonde vraagt om sluiten,
niet elke reis om aankomen,
soms is het enkel het dwalen,
dat alles heelt wat vergeten leek.
Je bent het lied dat niemand kende,
de bron die nooit verdorde,
de adem van het uitspansel zelf.
En ik,
ik zie je.
En het is oké.
Reacties
Een reactie posten