Nu het huis niet meer gevuld is
Nu het huis niet meer gevuld is met kinderstemmen en ik terugkijk op een kwart eeuw opvoeding, vraag ik me soms af: wat zou ik anders doen, met de kennis van nu? En eerlijk is eerlijk: best veel. Niet alles. Maar wel genoeg om te beseffen dat ik in sommige situaties andere keuzes had willen maken. Écht andere keuzes.
Ik poog mild te zijn voor mezelf. Ik heb gedaan wat ik kon. Met de liefde, de wijsheid en de draagkracht die ik op dat moment had. Soms was dat genoeg. Soms niet. Soms zat ik ernaast. Omdat ik het niet zag. Omdat ik zelf uit evenwicht was. Of omdat ik simpelweg niet wist wat er onder de oppervlakte speelde.
Of ik een goede moeder ben geweest? Ik weet het niet. Ik geloof eigenlijk niet zo in goed of slecht. Ik geloof wel in intentie. En mijn intentie was altijd om het beste voor hen te willen. Ook als dat betekende dat ik balancerend op een paar vierkante centimeter probeerde overeind te blijven. En soms struikelde over mijn eigen voeten.
Wat ik wel weet, is dat mijn kinderen zich, ieder op hun eigen wijze, ontwikkelen op een manier die me vervult met verwondering. Ze hebben verlies gekend. Moeilijke jaren doorgemaakt. En er zijn momenten geweest waarop ik ze niet heb kunnen beschermen tegen pijn of destructieve invloeden. Het stemt me verdrietig wanneer ik terugkijk op die momenten.
En toch… als ik nu naar ze kijk, zie ik hoe ze dat lijden met zich meedragen, maar zich er niet door laten breken. Hoe ze het integreren in veel wat ze doen. Hoe ze hun leven vormgeven met vragen die raken. Met een kijk op het leven die getuigt van innerlijke groei.
Het sterkt me in mijn vertrouwen: kinderen zijn veerkrachtiger dan we soms denken. Ze hoeven niet alleen maar een licht leven te hebben om tot bloei te komen. Ik hoef maar naar mezelf te kijken om dat besef vast te houden.
Ze hebben wél recht op hun eigen lijden.
Wij als ouders hoeven dat niet weg te poetsen. Niet op te lossen. Niet groter te maken dan het is. We mogen leren het te verdragen. Aanwezig zijn zonder over te nemen.
Wat ze van ons nodig hebben?
Dat we onze eigen emoties kunnen reguleren. Dat we blijven ademen als ze iets zeggen wat ons raakt. Dat we hen kunnen ontvangen en aanwezig kunnen zijn als ze onze aandacht nodig hebben.
Als je kind thuiskomt en zegt: “Ik wou dat ik dood was, want niemand vindt mij aardig.”
Dan wil elk celletje in je lijf het uitschreeuwen. Paniek. Angst. Ongerustheid. Je wil het wegpoetsen en kleiner maken.
Maar precies daar, in dat moment, mogen we oefenen in aanwezig zijn. Niet fixen. Niet bagatelliseren. Niet sussen. Niet zeggen: “Dat valt toch wel mee?” of “Zeg dat nooit meer!”
Maar blijven.
Zeggen: “Wat heftig dat je je zo voelt. Ik ben bij je.”
Wees dankbaar dat je kind zich zó veilig voelt dat het deze diepe gevoelens durft te delen. Dat is geen teken van zwakte, maar van vertrouwen.
En precies op die plek - van nabijheid - kan een kind leren dat moeilijke gevoelens erbij horen. En dat het niet alleen is.
Dat is het grootste wat we kunnen geven.
Reacties
Een reactie posten