Er was eens een man
Er was eens een man die zo graag geliefd wilde zijn, dat hij besloot zijn volk te geven wat het wilde horen. Hij sprak in simpele woorden, gebruikte grote gebaren, en beloofde alles: lagere belastingen, hogere lonen, meer veiligheid, minder vreemden. “Ik ben de stem van het volk,” riep hij, en het volk riep terug: “Onze redder!”
Ze maakten hem tot president. Hij genoot van de macht. De media buigden voor hem. De rechters zwegen. Tegenstanders noemde hij vijanden van het volk. Wetenschappers waren verraders. Kunstenaars waren gekken. Hij liet wetten veranderen. Grenzen sluiten. Kritiek verbieden. En voor elke vraag die hij niet kon beantwoorden, wees hij naar een zondebok. “Zij zijn het probleem. Niet ik.”De mensen begonnen hem te vrezen. Maar velen bleven hem geloven, want hij hield zijn verhalen eenvoudig - en hun angsten wakker. Op een dag zei hij: “Ik wil geen president meer zijn. Ik wil alles zijn. Vader van het volk. Licht van de natie. Zon en maan tegelijk.” Hij liet een toren bouwen van spiegels, hoger dan elk gebouw in het land. “Als ik in de hemel kijk,” zei hij, “wil ik mezelf daar zien schitteren.”
Op de dag van de onthulling klonk gejuich. Duizenden kwamen kijken naar de glazen toren, waarin zijn beeltenis in duizendvoud werd weerkaatst. De president hief zijn armen en sprak: “Ik ben de hoop. Ik ben de waarheid. Ik ben de weg.” Het volk zweeg. Niemand durfde te spreken.
En toen… kwam er een mug. Een klein, onopvallend beestje. Geen spion. Geen activist. Geen journalist. Gewoon een mug.
Ze zoemde zachtjes om zijn oor. De president sloeg. De mug ontweek. Ze prikte hem in zijn nek. Hij gilde. Ze stak zijn hand. Hij schreeuwde. Zijn lijf begon te zweten, zijn ogen te flikkeren. “Wat is dit?” riep hij. “Wie zendt dit duivels schepsel op mij af?”
Hij beval zijn lijfwachten de mug te doden. Maar ze zagen niets. Ook daar waren ze blind voor. Hij riep zijn adviseurs. Ze zeiden niets. Hij sloeg wild om zich heen, trapte, krabde, gilde tegen het volk: “Jullie hebben dit gedaan! Jullie willen mij ten val brengen!” Maar de mensen zagen slechts een man die schreeuwde tegen de lucht.
De mug prikte nog eens. In zijn lip ditmaal. Toen begon de president te beven. Zijn gezicht verkrampte. Zijn stem sloeg over. En hij viel neer - in het midden van zijn spiegelpaleis, waarin niemand anders te zien was dan hijzelf.
Die nacht werd de toren afgebroken. De mensen gingen naar huis, met hoofdpijn van het lawaai en een vreemd gevoel van bevrijding. De president werd nooit meer in het openbaar gezien. Sommigen zeggen dat hij nog leeft, in een ondergronds paleis, achter spiegels en schermen, omringd door bewakers, bang voor alles wat zoemt.
En de mug? Die vloog verder. Wat is de moraal van het verhaal?
Wie zichzelf tot god verheft, wordt door het kleinste leven herinnerd aan zijn sterfelijkheid. Populisten bouwen hun macht op angst en illusie - maar het zijn niet de grote vijanden die hen uiteindelijk ontmaskeren. De mug is een herinnering. Een zachte prik van waarheid, opdat ook wij niet in slaap sukkelen bij de klanken van de macht.
(Dit sprookje is een moderne hervertelling van The Wicked Prince van Hans Christiaan Andersen)
Reacties
Een reactie posten