Een Ode aan het Nederlandse Spookverhaal


 Een Ode aan het Nederlandse Spookverhaal

Bron: Het Vrije Volk – Democratisch-Socialistisch Dagblad, 25 juli 1959.
Waarde amice,
Het zal u bekend zijn dat het spookverhaal in Nederland een bepaald armetierig bestaan leidt. Kijk eens in uw rijk voorziene boekenkast, en zeg mij met de hand op het hart: kunt u ook maar één ware spookverhalenschrijver noemen wiens wieg stond tussen Sappemeer en Sas van Gent, tussen Sint Annaparochie en Schin op Geul?
Dat kunt u niet, waarde heer. En wel om de simpele reden: ze zijn er niet.
De Engelsen, ja—die beschikken over een hele school van doorgewinterde griezelauteurs. Hoe heb ik dat volk benijd! Hoeveel avonden zat ik niet bij u aan het knapperend haardvuur, een glas punch in de ene hand en een kop slemp in de andere, terwijl u mij voorlas uit de geheimzinnige werken van dr. James, Algernon Blackwood, of de beminnelijke maar uiterst geladen Lady Cynthia Asquith?
Hoe vaak, amice, joegen wij elkaar niet de griezels over de grazzels met het verhaal van die enge Hond van de Baskervilles—te rechter tijd ontmaskerd door de onnavolgbare Sherlock Holmes? Hoe hebben wij niet gehuiverd bij de wederwaardigheden van dat Amerikaanse gezin, dat door de grandioze Oscar Wilde werd overgeplant in een benauwend spookslot, waar groene handen tegen het venster tikten?
Prachtige avonden waren dat.
Als mijn blik dan afdwalen mocht over de duistere Gooise heide, zag ik daar—en waarlijk niet enkel in mijn verbeelding!—de spookverschijningen op ons afjagen. Helaas: het waren slechts Engelssprekende manifestaties. Het spook, zo beweert men, kan in Nederland niet tieren. Men zegt erbij: wij zijn er als volk te nuchter voor.
Geloof het niet, amice.
Ik ben ervan overtuigd dat er in ons land wel degelijk spoken leven (nou ja... leven!). Wie de boeken heeft gelezen van de wetenschappelijke Utrechtse hoogleraar Tenhaeff, twijfelt niet meer. Ze zijn er, maar leiden een akelig afgezonderd bestaan. Bloempjes die in het verborgene bloeien, wachtend op de nijvere speurder die hen aan het daglicht brengt.
Soms denk ik dat mensen spoken kennen, maar er niet over durven praten. Bang zich belachelijk te maken, of erger nog: bang voor de wraak van het spook zelf. En laten we wel wezen: over één ding zijn schrijvers én geleerden het eens—spoken blijven angstaanjagende fenomenen.
Daarom heb ik mij verheugd bij het lezen van het bericht in Het Vrije Volk over het op te richten Nederlands Genootschap ter Bevordering van het Spookverhaal.
Van deze Boeboeclub, zoals men het kort en krachtig doopt, zal ik een geestdriftig lid worden. En jij, amice, naar ik verwacht: een royaal donateur. Wat deksel, daar gaan ze onder aanvoering van Ab Visser op spokenjacht!
Deze mensen werken met serieuze, wetenschappelijke aanpak. Ze willen niet enkel het genre bevorderen, maar ook de bron bestuderen. Ze steken hun schrijversneuzen in echte spookhuizen, op zoek naar inspiratie. Mijn oude Groningse vriend Ab Visser (Amstel 328, Amsterdam) roept alle eigenaars en bewoners van spookhuizen, boerderijen en kastelen op: stel u in verbinding met hem. Hij wil persoonlijk contact leggen met de verschijningen, hen vragen stellen over de aard van hun bestaan. Ook getuigenissen van mensen die ooit een ontmoeting met een spook hebben gehad, worden dankbaar aanvaard.
In het onmisbare ‘Boeboeboek’ (uitgave De Arbeiderspers, Amsterdam, ƒ1,50) worden heel wat griezelige zaken uit de doeken gedaan. In zijn inleiding schrijft Visser:
“Griezelen is de laatste rest animisme in de cultuurmens aanwezig, en hij zou deze voor geen goud willen missen, getuige zijn plezier in ghost-and-horror stories…”
Hoe vreemd het ook klinkt: het leven van de mens zou armer zijn zonder griezelen. Iemand heeft eens beweerd dat spoken de belichaming zijn van onze eigen neurosen. Vandaar misschien de heropleving van het spookverhaal—de mens is neurotischer dan ooit en zoekt in het griezelen een uitlaatklep.
Laat ons dus niet neerkijken op het griezelen, amice. Het is een onontbeerlijke natuurgeneeswijze.
Woorden waar ik mij met hart en ziel bij aansluit.
Wie weet, zal de komende winter ons geen Engelse maar échte Nederlandse spookverhalen brengen. En zullen wij samen in geestrijke nevelen dwalen over de besneeuwde Gooise hei, nu omringd door spoken van eigen bodem.
Is dat geen heerlijk vooruitzicht?

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster