Er was eens een oude man

 Er was eens een oude man die in een eenvoudig huis woonde, aan de rand van het dorp. In zijn kast stond een gouden schaal. Ooit gekregen als kostbaar geschenk — niet om tentoon te stellen, maar om van te eten. En toch had niemand ooit van die schaal gegeten. De man bewaarde haar voor een bijzonder moment, voor een bijzonder iemand. Iemand die het écht waard was.

Op een dag klopte er een jonge man aan. Hij zei dat hij op zoek was naar zichzelf. Hij had niets bij zich, behalve zijn open blik en honger. De oude man schonk hem soep — in een houten kom. Hij is te gewoon, dacht hij. Te onervaren. Niet de juiste gast voor goud.

Later kwam er een pastor langs. Een zachte man, versleten van het helpen van anderen. Zijn woorden waren vriendelijk, zijn aanwezigheid bescheiden. De oude man overwoog even om de schaal te gebruiken, maar dacht toen: Hij zou het bord niet willen. Hij is te nederig om het te waarderen. En hij gaf hem een bord van steen.

Nog later kwam een koningin op bezoek. Ze had haar kroon afgelegd, haar man was overleden, en ze zocht vrede. Ze sprak weinig, dronk haar thee in stilte. De oude man keek naar haar en dacht: Te gebroken. Ze zou het geschenk niet kunnen ontvangen. En ook zij kreeg niet het gouden bord.

De schaal bleef in de kast. De jaren gingen voorbij, het goud dofde. En toen de man stierf, vonden zijn kinderen het voorwerp tussen vergeelde lakens. Het leek van metaal, niet van goud. Ze herkenden de waarde niet en gooiden het weg.

De schaal belandde op de vuilnisbelt. En daar ligt hij nog steeds — wachtend. Niet op grootsheid, maar op erkenning.

De tragiek van het verhaal is niet dat niemand waardig genoeg was. Maar dat de oude man vergat hoe je iemand werkelijk ziet.

De joodse filosoof Martin Buber schreef over het verschil tussen een "Ich-Es"-relatie en een "Ich-Du"-ontmoeting. De oude man zag zijn gasten als objecten die hij kon meten, beoordelen, rangschikken. Hij zag hen als iets — niet als iemand. Niet als Du. En dus miste hij de heilige ontmoeting die in elk van hen verborgen zat.

Emmanuel Levinas leerde dat het ethische beginpunt van ons mens-zijn ligt in het gelaat van de ander. Niet in abstracties, niet in criteria, maar in het ogenblik waarin iemand voor je staat en je aanspreekt. De jonge man keek hem aan. De pastor sprak zacht. De koningin zweeg in haar pijn. Maar de oude man luisterde niet met zijn ziel. Hij gaf niets, omdat hij niets herkende.

De Afrikaanse filosofie van Ubuntu zegt: Ik ben omdat wij zijn. Menswording gebeurt in relatie, in wederzijdse erkenning. De schaal was geen bezit — ze was een kans tot verbondenheid. En dat is wat hij miste: het eenvoudige gebaar van delen, van samen eten, van zeggen: Jij bent mens, net als ik.

De schaal verloor haar glans niet omdat ze oud werd, maar omdat ze nooit gedeeld werd, en misschien is dat de les, niet wachten op de groten der aarde, niet zoeken naar waardigheid op basis van titels of uiterlijk, maar leren herkennen wat altijd voor je staat: de ander, het gelaat, de Gij, de broze menselijkheid waarin het goddelijke verborgen zit, en misschien, als jij straks een kom in je hand houdt en iemand tegenover je zit met lege ogen, lege handen of een overvol hart, dan weet je: nu is het moment, niet bewaren, maar geven, de schaal verliest haar glans niet door de tijd, maar door het uitgestelde geven, niet wat je bewaart is goud, maar wat je deelt. 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster