πππππππππ
πππππππππ
Ze zit op het koude bankje, haar handen gevouwen in haar schoot alsof ze iets probeert vast te houden dat al lang is verdwenen. De lucht is grijs van uitstel, nat van gemiste kansen. Mensen schuifelen langs haar heen, voeten tikken ritmes op de stenen — haastig, levend. Ze hoort hun stemmen, hun gelach, hun zorgen over werk, koffie, regen. Ze hoort de treinen zuchten, deuren openslaan als monden die iets willen zeggen. Maar het dringt niet door.De wereld is blijven draaien, terwijl de hare met één ademhaling tot stilstand kwam.
Sinds hij er niet meer is, is alles geluid zonder betekenis.
Beweging zonder richting.
Zijn naam gonst in haar binnenste, een fluistering die nergens aankomt.
Ze herinnert zich zijn hand in de hare, als een belofte zonder woorden.
Nu is er alleen lucht. En stilte die lawaai maakt.
De trein komt eraan, luid en levensecht. Mensen staan op, stappen in, vertrekken.
Zij blijft zitten, als een anker in een kolkende zee.
Ze is aanwezig in een wereld die haar niet meer aanraakt.
Want wat is vooruitgaan, als hij daar niet meer wacht?
Wat is bestemming, als het hart nergens meer thuiskomt?
Ze sluit haar ogen.
Misschien hoort ze zijn stem in de verte, tussen het krassen van de rails.
Misschien niet.
Maar ze blijft nog even zitten.
Want stilstand is het enige dat nog klopt.
Reacties
Een reactie posten