Regenboog Boodschap
De Opera van Binnen
In stilte vóór het eerste woord,waar geen begin, geen einde gloort,
daar zingt iets zacht en ongezien,
een melodie diep vanbinnen misschien.
Een fluistering van licht en tijd,
die jou al kende, nog vóór je strijd,
geen podium, geen groot gebaar—
maar heel de hemel trilt al daar.
O ziel, waarom zo vaak verstopt,
alsof jouw lied ooit werd gestopt?
Je draagt de sterren in je borst,
en toch nog zoekend, dorstig, dorst.
Laat vallen wat je dragen moet,
het masker dat zo zelden goed
jou werkelijk heeft weergegeven—
je bent al heel, je bent al leven.
Een koor van wind, van zee, van land,
houdt zachtjes steeds jouw warme hand,
en zingt: “Je valt niet, wees gerust,
je wordt gedragen, ook in rust.”
Een stem die spreekt, zo stil en klein:
“Je hoeft niet ver van huis te zijn.”
Want in jouw adem, keer op keer,
zingt iets van liefde, altijd weer.
Dus zing jouw breuk, zing wat niet past,
want zelfs daarin zit licht vervast,
geen noot is fout, geen klank te zwaar—
alles wordt muziek, echt waar.
En als het lied ten einde lijkt,
en stilte zich weer naar je buigt,
blijft één akkoord, zo puur, zo vrij:
jij bent het lied—
en het lied…
dat ben jij.
Reacties
Een reactie posten