In een groot bos
In een groot bos woonde een vos die vaak naar de andere dieren keek.
Wanneer de pauw zijn prachtige veren liet zien, voelde de vos iets knagen van binnen.Wanneer het hert sierlijk door het bos liep, werd hij onrustig.
En wanneer de nachtegaal zong, dacht de vos: Waarom kan ik niet zijn zoals zij?
Op een dag zag hij een jonge vogel met gouden veren.
De vos keek ernaar en zei bitter:
‘Wat heb jij toch geluk. Iedereen bewondert jou.’
De vogel keek hem vriendelijk aan en antwoordde:
‘Misschien zie jij mijn gouden veren,
maar je ziet niet de stormen die ik heb moeten doorstaan om ze te krijgen.’
De vos werd stil.
Voor het eerst begreep hij dat hij steeds naar de glans van een ander had gekeken, terwijl hij zijn eigen kracht vergat.
Hij keek naar zijn spiegelbeeld in het stille water.
Geen gouden veren.
Geen sierlijke hoeven.
Geen prachtige zang.
Maar wel scherpe ogen, een sterke staart en een hart dat veel meer voelde dan hij ooit had willen toegeven.
Vanaf die dag keek de vos anders naar de dieren in het bos.
Hun licht maakte zijn eigen licht niet kleiner.
Want afgunst ontstaat wanneer je vergeet dat ook jij iets draagt wat een ander misschien mist.
En zo ontdekte de vos dat je niet hoeft te stralen zoals een ander.
Je hoeft alleen maar te ontdekken
waar jouw eigen licht vandaan komt.
Reacties
Een reactie posten