Riet
Het dichtst langs de kant komt voor ons de meest bekende soort voor: het riet. Dodoneus schrijft in zijn Cruydt-Boeck dat: “Alle de soorten van Riet zijn in groot gebruyck / soo wel in andere als in dese landen / niet alleen omdaer mede te decken / daer het ghemeyn Riet den toenaem Deck-Riet van heeft / maer oock omdaer schicten ende pijlen van te macken: daer-en-boven soo wordter in sommighe landen broodt ghebacken van de wortels van ghemaelen Riet”.Zaden van het riet kunnen onder water, niet ontkiemen. Dit kan alleen gebeuren op een verlandend moerasachtige bodem die net aan de wateroppervlakte komt. Vandaar uit kan het riet zich met behulp van zijn wortelstokken verder in de richting van het open water uitbreiden, maar alleen als het water niet al te snel diep wordt.
In de schepping verbaas je, je steeds weer. Hoe het toch mogelijk is dat zo'n 3 mtr. hoge rietstengel, die bovendien in een onstabiele bodem wortelt, weerstand kan bieden aan felle rukwinden, golfslag en stortregens. Maar ook hier is weer goed voor gezorgd. De wortelstokken van het riet zijn onderling met behulp van talrijke vertakkingen verbonden, hierdoor vormt zich een stevig en ondoordringbaar en onontwarbaar netwerk. Bovendien zijn de holle stengels verstevigd met kiezelzuur, wat goed te zien is ter hoogte van de knopen. Daar blinken de stengels alsof ze verglaasd zijn. Hoe hard en stevig de stengels daar wel zijn merk je als je probeert om met het mes dat je net voor je verjaardag gekregen hebt, de stengel door te snijden. Helaas geen appeltje meer mee te schillen, want het kiezelzuur heeft een grotere hardheid dan staal.
Een holle stengel al of niet voorzien van knopen heeft bovendien vrij gunstige mechanische eigenschappen. Een holle buis geeft namelijk bij een minimaal gebruik van materiaal een maximale stevigheid. Ook de bouw van de bladeren draagt natuurlijk bij tot de stevigheid en het weerstandsvermogen van de rietstengel. Het blad bestaat eigenlijk uit twee delen. Het voorste deel is een buisvormig gedeelte dat vanaf de knoop de stengel over een groot stuk omsluit. Men noemt dit de bladschede. Deze schede gaat dan plotseling over in de bladschijf die min of meer loodrecht op de stengel staat. Dank zij deze bladschede kan de stengel het gewicht van het blad gemakkelijk dragen en zo kan dan het hele blad met de wind meedraaien. Het blad zoekt dus steeds de luwte van de stengel op. Over deze eigenschap zijn meerdere legendes in omloop. EƩn daarvan wil ik u vertellen: Toen de Here Jezus aan het kruis hing, zat de duivel natuurlijk triomfantelijk met zijn handen over elkaar boven op de balk van het kruis. Trots en verwaand keek de duivel om zich heen alsof hij zeggen wilde dit heb ik toch weer eens goed voor elkaar.
Maar de stervende Heiland toonde de duivel toch nog één keer zijn macht. Hij gebood de duivel in het lager gelegen moeras te kruipen waar Riet groeide. De duivel moest zich aan Zijn wil onderwerpen en verborg zich tussen de rietstengels. De duivel was daarover zó kwaad, dat hij probeerde het Riet zijn wil op te leggen. Hij liet de wind zo hard waaien als hij kon. Toen hij echter merkte dat de rietstengels zich schrap zetten tegen zijn kracht, werd hij zo nijdig dat hij in blinde woede in de bladeren van het riet beet. Nog heden ten dagen kan men aan de golvingen halverwege de bladschijf zien, waar de duivel zijn tanden in de rietbladeren zette.
De soepele beweging van de bladeren geven ook aanleiding tot het welbekende 'ruisen'. Dit romantisch achtergrondgeluid aan de waterkant zet de mens aan tot dromen en vormt sinds vele eeuwen een bron van inspiratie voor vele dichters.
Zelfs de klassieke Griekse dichter Homerus werd er door aangegrepen. Ook Guido Gezelle heeft op zijn welbekende manier over het riet geschreven. De eerste twee coupletten daarvan wil ik u niet wil onthouden:
O! 't ruisen van het ranke riet!
O wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig neigend, neer,
staat op en buigt ootmoedig weer,
en zingt al buigend 't droevig lied,
dat ik bemin, o ranke riet!
O! 't ruisen van het ranke riet!
hoe dikwijls, dikwijls zat ik niet
nabij de stille waterboord,
alleen en van geen mens gestoord,
en lonkte 't rimpelend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruisend riet!

Reacties
Een reactie posten