Planten die wat te vertellen hebben
Planten die wat te vertellen hebben, Al vele eeuwen lang is er bij de mensen belangstelling geweest voor planten en hun genezende werking. Later kregen ze dikwijls om hun uiterlijk een plaatsje in de folklore. Laten we maar eens een plant nemen die in tuinen, langs wegen of zo maar op een zand hoopje groeien, ‘de Kamille’. Veel mensen hebben dit kruid thuis in hun medicijnkastje of wordt gewoon om zijn smaak als thee gedronken.
Bij de Romeinen en de Grieken werd kamillethee gebruikt als geneesmiddel tegen reuma en krampen. Bij ons als huismiddeltje, bekend om zijn krampopheffende, ontstekingsremmende en pijnstillende werking enz.
Een dergelijk nuttig kruid moest toch ook wel andere grote krachten bezitten? Hierdoor ontstond het geloof dat er ook heksen mee konden worden verdreven. Men moest dan wel op Lichtmis (2 februari) Kamille laten zegenen en deze in bundeltjes aan de balken (plafond) van de kamer hangen. Zodra er een heks binnenkwam en de bundeltjes zwaaiden heen en weer, dan was men gewaarschuwd.
Een ander kruid, dikwijls bij ons in de keuken gebruikt, is Marjolein, die eveneens als de Kamille geneeskrachtige maar ook heksenwerende eigenschappen heeft. Zo gaat het verhaal dat een meisje bij haar doop per ongeluk de duivel als peetvader kreeg. Al snel had ze het toveren onder de knie. Haar moeder, die niets van het toveren moest hebben en bang was voor haar zielenleven, naaide op een nacht in haar kleren twee kruiden. De volgende ochtend kwam haar peetvader de duivel en voelde de grote magische kracht van de kruiden en schreeuwde: ,,Marjolein en Sint Janskruid ontnemen me mijn bruid.” De duivel vluchtte uit haar leven met een wolk van zwavel achter zich latend.
De Marjolein verspreidt een heerlijke geur, door de aanwezige aromatische olie. De olie is een bestanddeel van ‘eau des Carmes’, een bekend maagmiddel uit vroegere tijden. De bereiding van het middeltje dateert al uit 1611. Het werd gemaakt door de Karmelieter monniken te Parijs, die vele jaren het alleen verkooprecht hadden vanwege het patent en het geheime recept.
Door de Lodewijken XIV, XV en XVI werd iedere keer het patent verleend. Na koning Lodewijk de XVI kwamen de apothekers in opstand tegen dit patent. Dit wonnen de apothekers en de monniken moesten 1000 francs per jaar betalen aan het farmaceutisch college. In 1791 werden de goederen van de kloosters in beslag genomen en de orde werd opgeheven.
De overgebleven 45 monniken verenigden zich tot een handelsvennootschap en leefden van de opbrengst van dit middeltje. Het eigendomsrecht van het preparaat zou gehandhaafd blijven tot de laatste gestorven was. De laatste, broeder Paradise, stierf in 1831 in hun fabriek. Net voor zijn dood had hij de samenstelling bekend gemaakt. Nog steeds wordt ‘eau des Carmes’ door de Karmelieter monniken gemaakt.
Marjolein (of dost als volksnaam) werd op stalvloeren gestrooid om het vee tegen betovering te beschermen. Eigenlijk hoeven we niet zo te treuren dat dit volksgebruik verdwenen is omdat Marjolein ‘bergvreugd’ of ‘welgemoet’ werd genoemd omdat bergbeklimmers of maaiers er op kauwden om fit te blijven bij alle inspanning in de zomerhitte.

Reacties
Een reactie posten