Uiterlijk, een fluistering van binnenuit

 Uiterlijk, een fluistering van binnenuit

Uiterlijk is een fluistering aan de buitenkant van een veel dieper verhaal. Een reflectie, geen definitie. In onze wereld wordt die fluistering vaak verward met de kern. We zijn gaan geloven dat wat zichtbaar is, ook alles zegt – en dus alles bepaalt. Maar niets is minder waar.

Wat men ziet, is slechts de huid van je zijn. Een momentopname. Een jas die je draagt. Geen mens ziet eruit zoals jij, en dat is bijzonder. Maar zelfs die unieke vorm vertelt zelden wie je werkelijk bent. Niet jouw dromen. Niet jouw pijn. Niet jouw zachtheid of moed. Toch wordt er geoordeeld. Sneller dan een ademhaling. Want oordelen geeft schijnzekerheid – en oppervlakkigheid is nu eenmaal eenvoudiger te verteren dan diepgang.

We leven in een tijd waarin uiterlijk lijkt te beslissen of je mee mag doen. Of je binnen of buiten staat. Voldoet je lichaam niet aan een beweeglijke, onhaalbare norm, dan voel je de afstand. Het is niet alleen oneerlijk – het is een vorm van collectieve verarming. Want als we alleen kijken, leren we nooit écht zien.

Uiterlijk vormt onze eerste indruk, maar niet onze eerste waarheid. Hoe vaak heb je niet iemand ontmoet die je verraste, positief of negatief, zodra je verder keek dan de vorm? Het lichaam vertelt iets – over afkomst, over keuzes, over bescherming en pijn. Maar het is altijd slechts één hoofdstuk uit een veel dikker boek.

Vergelijken is de sluipmoordenaar van zelfliefde. Leg je jezelf naast een ander, dan snijd je in het hart van je eigen verhaal. Soms is bewondering puur: een blije herkenning van schoonheid in een ander. Maar als die bewondering gevoed wordt door zelftwijfel, groeit er iets giftigs. Afgunst. Schaamte. Het venijnige idee dat jij tekortschiet, omdat je anders bent. En stukje bij beetje raak je gehecht aan dat vervormde zelfbeeld, alsof het waar is.

Echte schoonheid leeft diep. Niet in lijnen of maten, maar in energie. In de vonk achter iemands ogen. In de stilte na een oprechte lach. In hoe iemand binnenkomt, zonder iets te zeggen. Schoonheid die niet imiteer-baar is, omdat ze niet speelt, maar simpelweg ís.

We hebben het allemaal weleens gevoeld: je kijkt iemand aan, en je weet dat je geraakt bent. Niet door uiterlijk, maar door aanwezigheid. Door een ziel die niet verstopt zit. En laten we eerlijk zijn – we zijn ons allemaal weleens flink misgelopen in een eerste indruk. Het hart kent een diepte waar het oog vaak overheen glijdt.

Ik weet nog hoe mijn leven kantelde toen ik stopte met overleven. Toen ik de stemmen van buiten zachtjes uitzette. De vrouw in de supermarkt die me misschien raar vond, verdween uit mijn hoofd. De oordelen van familie, van bekenden, van die echo van ‘hoe het hoort’ – ik liet ze los. En plots kwam er ruimte. Ruimte om thuis te komen in mezelf. Om te zorgen, niet om te voldoen. Om te voelen wat ik nodig had. En om eindelijk te durven kiezen voor zachtheid, zonder zwakte.

Sindsdien keer ik steeds terug naar die plek in mij waar geen oordeel woont. Waar ik besta zonder vormvereiste. Daar waar ik ben – zonder bewijs te hoeven leveren. En telkens als ik daar ben, herinner ik me wie ik écht ben. Niet mijn spiegelbeeld, maar mijn licht.

***“Er zijn niet zo veel dingen, of woorden, en geen daden...
al zou er niets zijn, dan juist dat
wat ik voor je wil zijn...
toch doe ik alles en er alles aan...
om voor jou te zijn wie ik ben.”***

Het is opmerkelijk hoe gretig we negatieve woorden aannemen. Iemand noemt je mooi – je wuift het weg, ongemakkelijk lachend. Maar noemt diezelfde persoon je lelijk of dik… Dan kleeft het. Het zinkt in je huid, alsof het waar is. Omdat we zijn gaan geloven in wat de wereld als maatstaf hanteert. Een maatstaf zonder ziel.

Ik zal je niet snel ‘mooi’ noemen – niet omdat ik dat niet vind, maar omdat het woord is uitgehold. Ik zeg liever dat je ogen stralend zijn. Dat je lach een schatkamer opent. Dat je iets draagt wat niet te benoemen is, maar onvergetelijk voelt. Want dát is schoonheid: herkenning zonder maskers… Voor mij dan.

Oppervlakkige complimenten zijn als parfum – vluchtig, licht en vergeten voor het avond eten. Maar woorden die jouw wezen raken – je aard, je moed, je zachtheid – die nestelen zich. Ze helen. Ze blijven. Die geven onvoorwaardelijke liefde.

Wanneer we leren om te waarderen wat ons uniek maakt – vanbinnen én vanbuiten – ontstaat er iets krachtigs. Geen arrogantie. Geen perfectie. Maar een zachte, stille waardigheid. We herinneren elkaar eraan: schoonheid woont niet in het gezicht, maar in de blik. Niet in de huid, maar in de ziel die erin huist.

***“Je bent niet wat men ziet.
Je bent wat je laat voelen.
En wie dat herkent, ziet met andere ogen”***

***"Ik ben mezelf.
Dat is toch vanzelfsprekend..?"***

Te veel wordt er genomen,
veel verblijft oneindig,
en al zijn we nu niet dát
wat de kracht die in de oude dagen hemel en aarde bewoog...
dát wat we zijn, zijn we...
een evenwijdig temperament,
vol heldhaftig gemaakte harten.
Zwak door de tijd en het leven,
maar sterk in de wil te streven, te zoeken, te vinden...
en niet toe te geven.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster