Smeerwortel
SmeerwortelSyroop van Wael-wortel. Neemt van de wortelen van ’t ghemeyn Wael-wortel-cruydt de swaerte van twee oncen (1 ons = 30 gram)/ een once Kalissen-hout (is Zoethout) oft de wortelen van het Soethout/ twee hantvollen van de blaederen van Hoef-bladt/ oft Tussilago (Klein hoefblad), met de wortelen van dien/ ander-halve once Pioniolen oft keernen van de Pijnappelen / twintigh Juiuben oft Zizipha (Zyzyphus jujuba) twee drachmen (ongeveer 8 gram) Maluwe-saet (Gewone Heemst)/ een drachne Heulbollen/ dat is de saetkoppen van den Heul (Klaproos). Dit moet al te samen in soo veel waters ghesoden (gekookt) zijn als ’t betaemt/ totter tijdt toe dat het op een pont (ongeveer 425 gram) waters versoden (verkookt) ende ghemindert is. Doet dat dan door eenen doeck oft stramijn; ende voeght daer by van het alder witste Suycker ende Honigh/ van elcks ses oncen/ ende maeckt daer eene Syroop van/ nudts dat wel ende behoorlijcken te samen siedende.
De selve wortel geneest oock alle langhdurige sweeringen van de nieren/ ende doet het bloedt/ ’t welck daer uyt vloeyt/ op korter tijt op houden. Sy stelpt oock den loop ende vloedinghen van de vrouwen; wel verstaende als sy het water daer die in ghesoden is drincken/ oft dat sy die met suycker ende Honigh gheconfijt/ bewaert/ oft inghemaeckt zijnde/ ettelijcke daghen achter malkanderen in-nemen ende ghebruycken.
Sy is seer nut in alle quetsinghen ende schaden die aen eenighe inwendighe deelen des lichaams komen/ bijsonder in de scheurselen ende breuckinghen.
Men ghebruycktse oock seer nuttelijck in de ontstekinghen van den aersdarm; oock op de te seer loopende oft bloedende spenen gheleydt/ gheneest die en bedwinghtse seer haest.
In het bijvoegsel van het Cruydt-Boeck van Dodoens verzameld en geschreven door van Ravelingen vinden we toch een waarschuwing over het gebruik van de Smeerwortel:
“Sommighe segghen dat dese wortel soo krachtigh is om het scheursel ende alle inwendighe breukingen te ghenesen ende te heelen: dat de ghene diese eenen tijdt langh ghebesicht (gebruikt) hebben / soo dat sij hun scheursel bevinden genesen te zijn/ moeten ophouden van de selfe langher te ghebruycken: want / sy soude hun in ’t laetste eer hinder dan bate doen: midts datse versekeren/ dat eenige krancken door ’t al te langh ghebruyck der selver hun darmen te engh ghemaeckt/ iae (ja) het inghewant aen een gheheelt hebben hoe het is/ meest alle ghenees-dinghen moeten eens ghelaten worden/ op dat sy de nature niet te lastigh en vallen / ende voor het eerste quaedt gheen ander en veroorsaken.”
In de Beschryving der Aardgewassen van Abraham Munting lezen we nog de volgende remedie:
“De groene Wortel geraspt, plaasters-wijze (pleister gewijs) op een doekje gesmeert, en gelegt op de plaatzen, daar men de smerten (pijnen) van ’t Flerecijn of Podagra gevoeld, neemt terstond de pijn wech.”
Net als vele andere oude kruidenbeschrijvers gaf Nicholas Culpeper, die een omstreden Engelse kruidenkenner uit de 17de eeuw was, zijn mening over de Smeerwortel. Hij schreef dat hij verrukt was over de Smeerwortel en vertelt over het verschijnsel dat stukken vlees, die in een pan werden gekookt, weer aaneen groeiden toen er Smeerwortel werd aan toegevoegd.
Hij schreef verder dat smeerwortelzalf doeltreffend was bij - door sterke melkproductie - pijnlijke borsten. Overigens was het lange tijd gebruikelijk om bij tepelkloven een stukje uitgeholde wortel op de tepel te leggen.
In de Vlaamse volksgeneeskunde, werd de Smeerwortel gebruikt tegen zweren, puisten, blaren enz.

Reacties
Een reactie posten