Op een koude winteravond in Cambridge


 Op een koude winteravond in Cambridge zat Frederic Myers met enkele vrienden rond een tafel vol papieren. Ze luisterden naar een vrouw die in trance woorden sprak waarvan niemand kon zeggen waar ze vandaan kwamen. Voor Myers was het geen sensatie, maar een vraag: wat zegt dit over de menselijke geest? Hij geloofde niet zomaar in wonderen, maar hij wilde weten waarom zulke verschijnselen zich voordoen, en wat ze ons vertellen over wie wij werkelijk zijn. Zo begon zijn levenswerk: het zoeken naar een psychologie die niet stopt bij het zichtbare.

Myers was ervan overtuigd dat het dagelijks bewustzijn maar een klein eilandje is in een veel grotere zee van ervaring. Soms bereikt ons een golf van die zee in de vorm van een droom, een intuïtie of een visioen. Soms voelen we een nabijheid van iemand die ver weg is – of zelfs van iemand die gestorven is. Zijn grote boek, ‘De menselijke persoonlijkheid en haar voortbestaan na de lichamelijke dood’ werd het verslag van die zoektocht. Het is geen dogma, geen kerkelijke leer, maar een poging om het raadsel van de mens te benaderen met de eerlijkheid van een onderzoeker en de moed van een dichter.

Een van zijn belangrijkste bijdragen is het begrip subliminal self: het onder-drempel-zelf. Volgens Myers is ons bewuste ego slechts een klein deel van wie we werkelijk zijn. Daaronder bevindt zich een veel bredere, rijkere laag van bewustzijn die meestal verborgen blijft. Soms breekt die laag echter door, bijvoorbeeld in een droom die een toekomstig voorval lijkt te voorspellen, of in een plotselinge ingeving die ons leven verandert. Het subliminale zelf verklaart volgens Myers ook telepathie: het vermogen dat gedachten of gevoelens van de ene geest naar de andere kunnen overgaan zonder gebruik van de gewone zintuigen. Telepathie is niet bovennatuurlijk, maar een uiting van die diepere laag van verbondenheid die ons allen draagt.

Myers was er diep van overtuigd dat de menselijke persoonlijkheid groter is dan het fysieke lichaam. Hij verzamelde honderden getuigenissen van mensen die overleden geliefden zagen verschijnen, of tijdens een crisis visioenen ontvingen die later door feiten werden bevestigd. Voor hem wezen zulke ervaringen op de mogelijkheid dat er een voortbestaan is van de persoonlijkheid voorbij de dood. Hij sprak over een metetherische wereld, een domein voorbij de gewone etherische ruimte van de natuurwetenschap, waar het bewustzijn wortels kan hebben die het lichaam overstijgen. Dit metetherische domein is niet zomaar een hemel of hel, maar een subtiele werkelijkheid waarin bewustzijn zich kan voortzetten.

Het boek is niet dogmatisch, maar onderzoekend. Myers wilde geen religieuze waarheden bevestigen, noch de kerk gelijk geven. Hij wilde ook geen goedkope spiritistische sensatie leveren. Wat hem dreef was een verlangen om de gegevens van de menselijke ervaring eerlijk te verzamelen en ze te ordenen met de ernst van een wetenschapper. In zekere zin bouwde hij daarmee een voorloper van de moderne parapsychologie, en tegelijk een aanvulling op de psychologie die later door figuren als Freud en Jung zou worden ontwikkeld. Jung zou het idee van het collectieve onbewuste ontwikkelen, maar dat was al in kiem aanwezig in Myers’ subliminale zelf.

De rode draad in ‘De menselijke persoonlijkheid en haar voortbestaan na de lichamelijke dood’ is dat de mens niet mag worden gereduceerd tot enkel hersenprocessen of lichamelijke functies. De psyche is groter, rijker en veelvormiger dan het beperkte bewustzijn dat we dagelijks ervaren. Al die randverschijnselen die door de wetenschap vaak worden weggeschoven – van helderziendheid tot mystieke eenwording – zijn geen ruis, maar aanwijzingen dat de mens een wezen is dat grenzen kan overschrijden. Die grenzen kunnen angst aanjagen, maar zij openen ook nieuwe perspectieven op leven en dood.

Myers eindigt niet met een sluitend bewijs, maar met een uitnodiging. Zijn boek is een pleidooi om de menselijke geest serieus te nemen in al haar diepte en veelzijdigheid. Het stelt dat de vraag naar overleving na de dood niet slechts een religieuze kwestie is, maar een psychologische en existentiële vraag die ieder mens aangaat. Door aandacht te hebben voor het subliminale zelf en de metetherische dimensie, ontdekken we dat de mens een grensbewoner is: iemand die in het hier en nu geworteld is, maar tegelijk verbonden blijft met een werkelijkheid die groter is dan zijn lichaam.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster