De Bethaniënbuurt naast het klooster
De Bethaniënbuurt naast het klooster zaten er veel kleine bedrijfjes.
In de eerste helft van de 17de eeuw was het daar, op de door de stad geconfisceerde kloosterreinen, een deftige woonbuurt. Sweelinck woonde er, de rector van de Latijnse school, Jan van der Heyden met zijn brandspuitenfabriek, en nog meer notabelen. In "De Engel van Amsterdam" heeft Geert Mak de historie verteld van het huis Grasveld aan de Oudezijds Achterburgwal dat nog altijd de allure heeft van de regentenhuizen aan de Heren- en de Keizersgracht. In de 19de eeuw deelde de Bethaniënbuurt in de algemene verarming. De economische opleving door de aanleg van het Noordzeekanaal ging, net als in de Jordaan, aan dit deel van de stad voorbij. Ook hier waren de huizen vaak eigendom van kleine middenstanders, als oude-dag-voorziening, wat leidde tot te zuinig onderhoud en te veel huurders per pand. Ambachtelijke en klein-industriële bedrijven brachten levendigheid, soms ook hinder door stank en lawaai. De eerste in de Koestraat was het niet. In 1958 had 'Hendrick de Keyser' de nrs. 10-12, het Wijnkopersgildehuis, dat in 1947 door de vereniging was aangekocht uit de nalatenschap van haar eerste voorzitter, grondig laten herstellen en inrichten tot twee kleine musea: een over de wijnhandel en een over de historie van de medische en farmaceutische praktijk. Die bestemming is inmiddels weer voorbij; het Wijnkopersgildehuis dient nu als woning met atelier.
De afdeling Stadsontwikkeling had de gedachte meer licht en lucht binnen de bouwblokken zó rigoureus doorgevoerd dat vrijwel alle achterhuizen moesten verdwijnen, zodat een te ondiepe randbebouwing overbleef. Even irreëel was de verdeling tussen ruimte voor voetgangers en voor rijdend verkeer. Dat laatste was alleen toegestaan in de Oude Hoogstraat en de smalle Monnikenstraat. Bloedstraat, Barndesteeg, Koestraat en Bethaniënstraat met hun dwarsverbindingen moesten een onderling verbonden voetgangersgebied worden, samen met de tot plantsoen herschapen binnenterreintjes. Wat dat zou betekenen voor de nachtelijke rust en veiligheid voor de bewoners, laat zich raden. In plaats van de verhoopte samenwerking tussen de gemeente en de eigenaren om de Bethaniënbuurt in haar eigen historische gestalte te doen herleven, kwam er een stroom van bezwaarschriften, wat ten slotte leidde tot intrekking van de al te ingrijpende wijzigingsplannen. och was er iets op gang gekomen: de Bethaniënbuurt is geen stil- vervallend eilandje meer.
Diogenes verwierf en restaureerde in de Koestraat, na de nrs. 34-36, ook de fraaie drieling 7-9-11, verder Barndesteeg 15 en Oudezijds Achterburgwal 69-79. De pandenlijst van Stadsherstel vermeldt drie huisnummers in de Barndesteeg, acht in de Bethaniënbuurt en tien in de Koestraat. Het Diogenes-gebouw Oudezijds Achterburgwal 73-77, bij de aankoop een sinds vele jaren verlaten textielmagazijn, bevat 17 ateliers en evenveel studentenkamers. Het Bethaniënklooster dat twintig jaar als een scheefgezakte bouwval had staan wachten, bevat nu acht woningen voor muziekstudenten en een zaal voor kamermuziek en recepties die steeds drukker wordt bezocht. Minder verheugend is het opdringen van de prostitutie. Ook de Bethaniënbuurt ontkomt niet aan de stijgende onroerend-goedprijzen en tegen de koopkracht van het zwarte geldcircuit kunnen de non-profit instellingen, die betaalbare huurwoningen tot stand willen brengen, nooit opbieden.
Dat laatste geldt evenzeer voor de ambachtelijke bedrijvigheid. In het Stadsherstelcomplex naast het Bethaniënklooster is nu een ambachtelijke brouwerij gevestigd. Daartegenover, in Barndesteeg 13, kon Diogenes de parterre huren, toen het constructiebedrijf dat daar zijn opslag had, naar een industrieterrein verhuisde. Nu is in die ruimte het atelier gevestigd van de houtsnijder Kees van Mierlo en de meubelrestaurateur Ditmar Gedexnus, beiden oud-medewerkers van het helaas verdwenen restauratieatelier Uilenburg van Hans 't Mannetje.

Reacties
Een reactie posten