Appelboom


 Goede morgenlieve lezers, vandaag een verhaaltje over de Appelboom

Er was eens… een oud vrouwtje die Ellende heette. Alles wat ze bezat was een Appelboom, die haar meer armoede gaf dan vreugde.
Wanneer de appels rijp waren, kwamen de kwajongens uit het dorp haar appels stelen. Zo ging het jaar in jaar uit.
Op zekere dag klopte een oude man met een lange witte baard op de deur van het huisje waar Ellende woonde.
“Lieve vrouw”, smeekte hij, “heb je voor mij een stukje brood”. “Arme stumpert”, zei Ellende, die altijd met andere mensen medelijden had, terwijl ze zelf niets bezat. “Hier heb je een halfje brood, meer heb ik niet, neem het en laat het je smaken”. “Omdat je zo goed voor mij bent, mag je een wens doen”, zei de oude man. “Ach”, zuchtte de oude vrouw, ik heb eigenlijk maar één wens! Ik zou graag willen dat iedereen die mijn appels steelt, aan de boom blijft kleven, totdat ik ze ervan bevrijd. Het is voor mij onverdraaglijk dat als mijn appels rijp zijn van de boom worden gestolen.
“Je wens zal in vervulling gaan”, zei de oude man en ging zijn weegs.
Enkele dagen later ging Ellende naar haar Appelboom kijken. Aan alle takken van de boom hingen en kleefden talloze kinderen, dienstbodes en moeders die geprobeerd hadden om hun kinderen te redden, vaders die een poging gewaagt hadden om hun vrouw te bevrijden, twee papegaaien die uit hun kooi ontsnapt waren, een haan, een gans, een uil, verscheidene andere vogels en zelfs een geit.
Eerst keek ze met een verbaasde blik naar haar boom, dan barstte ze in schaterlachen uit. Ze sloeg met haar knokige handen op haar nog puntigere knieën en schaterde het uit. Nadat Ellende was uitgelachen, liet zij ze nog een poosje hangen voordat ze iedereen van de Appelboom los maakte.
De dieven hadden nu wel hun lesje geleerd om voortaan de appels van haar boom stelen.
Het was al weer een poosje geleden, toen er op een dag weer op de deur van de oude vrouw geklopt werd. “Wie is daar”, riep ze. “Wie denk je, dat er is”, vroeg de stem”. Het bleef stil in het kamertje.
“Hoor je mij moedertje”, riep hij nogmaals. “Ik ben vadertje Dood”. Jij en je oude hond hebben lang genoeg geleefd; ik ben gekomen om jullie beide te halen.
“Jij bent almachtig”, zei Ellende, en ik zal je zeker niet tegenspreken. Maar sta mij toe nog één vraag te stellen, voordat ik mijn boeltje pakt. Aan de boom daarginds groeien de wonderbaarlijkste appels, die heerlijk smaken. Het zou jammer zijn, om voordat je me mee neemt, er geen een van te hebben geproefd.
“Aangezien, je de vorige keer zo vriendelijk voor mij bent geweest, zal ik er één gaan halen, zei vadertje Dood”, en liep watertandend naar de Appelboom. Hij klom helemaal tot boven in de Appelboom om een hele grote mooi rood gekleurde appel te plukken. Nauwelijks had hij de Appel beet toen hij merkte dat hij met zijn lange knokige hand aan de boom bleef kleven. Hoe hij het ook probeerde om zijn hand los te krijgen, het lukte hem niet.
“Zo, oude dwingeland, daar hang je, nu ben je niet meer in staat om iemand iets aan doen”, zei Ellende.
Doordat vadertje Dood aan de boom hing stierven er ook geen mensen meer. Viel er iemand in het water dan verdronk hij niet. Werd er iemand door een wagen overreden, dan voelde hij niets; de mensen stierven niet meer, behalve wanneer er bij iemand zijn hoofd afgeslagen werd.
Nadat vadertje Dood, zomer en winter, in weer en wind, tien lange jaren aan de boom had gehangen, kreeg de oude vrouw medelijden met hem en beloofde hem er af te zullen halen op voorwaarde, dat ze leefde, zolang als ze zelf wilde.

Vadertje Dood, ging op haar verzoek in, en dat is de reden, dat mensen langer leven dan een mus, en er altijd ellende zal zijn in de wereld wat tot in de eeuwigheid zal blijven voortduren.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster