Er was eens.... een ezel die koning mocht worden
Er was eens.... een ezel die koning mocht worden. Althans, dat zei de vos. De vos had hem gevonden, ergens in het dal, en zei: “De leeuw is onder de indruk van je eenvoud, je trouw, je nederigheid. Hij wil jou op de troon zetten.”
De ezel twijfelde even, maar zijn verlangen om gezien te worden, om eindelijk erkend te worden, won het van zijn waakzaamheid. Hij ging mee. De leeuw zag hem en viel hem meteen aan. Hij beet zijn oren af. De ezel, die al niet zo goed kon luisteren, vluchtte, in paniek.Maar de vos haalde hem in. “Maak je niet druk,” zei hij. “Die oren… die zaten de kroon alleen maar in de weg.” En de ezel - hunkerend naar erkenning - ging weer mee. Ditmaal beet de leeuw zijn staart af. Weer vluchtte hij. Weer kwam de vos. “Dat deed hij zodat je straks goed rechtop kunt zitten, waardig en krachtig. Bijna zover, vriend.” En weer… ging de ezel mee.
De derde keer overleefde hij het niet. De leeuw doodde hem. En de vos at zijn hart op. Toen de leeuw terugkwam, vroeg hij: “Waar is zijn hart?” En de vos antwoordde: “Had hij een hart gehad, dan was hij niet drie keer met mij meegegaan.
Wat vertelt deze fabel ons? Wie geen kennis van het hart heeft - geen innerlijke waakzaamheid – is een gemakkelijke prooi.
De ezel kent zichzelf niet. Hij mist de stem van binnen. Hij luistert naar stemmen van buiten, naar vleierij, naar beloftes. Hij mist de gnosis - het weten van binnenuit.
En die vos? Die leeft onder ons. Hij spreekt onze taal. Hij gebruikt onze media. Hij speelt zijn spel met woorden, cijfers en angsten. De vos Ćs de populist van onze tijd. Hij is een rattenvanger in een net pak, met gladde beloftes en giftige intenties.
Hij fluistert mensen toe wat ze allang willen horen:
“Zij krijgen alles, jij niets.”
“Jij wordt vergeten.”
“Wij zorgen voor jou — als jij zwijgt en volgt.”
En terwijl hij dat zegt, belooft hij kronen, macht, nieuwe waardigheid. Maar zijn doel is niet bevrijding. Zijn doel is controle. Hij gebruikt je, en voert je naar de bek van de leeuw.
Vandaag gebeurt het opnieuw. De vossen van onze tijd willen de helper strafbaar stellen.
Zij keren zich niet tegen onrecht, maar tegen barmhartigheid. Niet de mensenhandelaar wordt aangepakt, maar de vrijwilliger die soep uitdeelt. Niet de roofdieren worden aangepakt, maar de Samaritanen. Niet de schuldigen, maar de zachtmoedigen.
Zij zeggen dat liefde naĆÆef is. Dat zorg zwakte is. Dat wie opkomt voor de vreemdeling, tegen het volk is. Maar in werkelijkheid pakken zij het hart van onze samenleving af — en noemen dat ‘ordening’.
Maar Jezus zegt iets anders. Hij zegt — in Mattheüs 10:16: “Zie, Ik zend u als schapen midden onder de wolven; wees dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven.” Geen blinde goedgelovigheid. Geen koude berekening. Maar een hart dat open blijft — Ć©n ogen die zien. Een ziel die liefheeft — Ć©n een geest die onderscheid maakt.
Een geloof dat niet met zich laat sollen, maar ook niet verhardt. Wie leeft zonder de kennis van het hart, loopt drie keer mee — en overleeft het niet. Maar wie het innerlijk weten ontwikkelt, wie waakt, luistert, afstemt - die laat zich niet vangen. Die wordt niet opgegeten, niet misleid, niet misbruikt.
De fabel van de ezel, de vos en de leeuw is oud, maar springlevend. Ze komt uit het middeleeuwse dieren-epos 'Van den vos Reynaerde'. Met als waarschuwing… Wie zijn innerlijk weten niet ontwikkelt, wie zijn hart niet onderhoudt, laat zich leiden - door de verkeerde handen. De fabel is een spiegel voor nu. Voor hoe wij kiezen.
Voor wie wij volgen. Voor wat wij durven voelen en doorzien. Want de boodschap van de man van Nazareth begint niet met macht, maar met mensen. Met mensen die wƩl luisteren.
Die zich niet laten vleien. Die hun hart bewaren - ook in een wereld vol vossen.
Reacties
Een reactie posten