Kabbala over Genesis
Kabbala over Genesis 6:5-6:
“De Heer zag hoe groot de goddeloosheid van het menselijk ras was geworden en dat elke neiging van de gedachten van het menselijk hart altijd alleen maar slecht was. De Heer betreurde het dat Hij mensen op aarde had gemaakt, en zijn hart was diep verontrust." (Genesis 6:5-6)
In deze passage vinden we een diepgaande en mysterieuze lering. De zinsnede ‘elke neiging van de gedachten van het menselijk hart’ verwijst naar de goddelijke vonk in ons, onze ware essentie. Het woord ‘kwaad’ betekent niet slechtheid, maar eerder ‘vervreemding’ of ‘loskoppeling’ van onze ware natuur.
Het vers onthult dat de mensheid geen verbinding meer had met hun goddelijke vonk, en deze ontkoppeling vervulde het hart van het Goddelijke met verdriet. Dit verdriet ging niet over straf, maar over het potentieel dat werd verspild. De goddelijke spijt ging niet over het creƫren van de mensheid, maar over het feit dat we onze ware essentie waren vergeten.
Deze leer bevat een verbijsterende waarheid: onze gedachten en daden hebben de kracht om vreugde of verdriet aan het Goddelijke te brengen. Wanneer we ons afstemmen op onze goddelijke vonk, brengen we vreugde, en wanneer we de verbinding verbreken, brengen we verdriet. Dit begrip stelt ons in staat verantwoordelijkheid te nemen voor onze gedachten en daden, wetende dat we het vermogen hebben om vreugde aan het Goddelijke te brengen en ons doel te vervullen.
In de kabbalistische leringen wordt dit concept ‘Tzaar HaShechinah’ of ‘Het verdriet van de goddelijke aanwezigheid’ genoemd. Het herinnert ons eraan dat onze verbinding met het Goddelijke niet alleen gaat over onze individuele groei, maar ook over de vreugde en het verdriet dat we naar het Goddelijke brengen. Dit bewustzijn kan onze levens transformeren, ons inspireren om in lijn met onze ware essentie te leven en vreugde te brengen in het hart van het Goddelijke.
Kunstenaar onbekend

Reacties
Een reactie posten