Er was eens een bos

 Er was eens een bos… Er stroomde een helder beekje doorheen. De dieren kwamen er dagelijks om te drinken. Maar ze deden dat voorzichtig, té voorzichtig. Ze spraken niet met elkaar, hielden hun adem in, alsof een verkeerde toon de harmonie zou verstoren. Want er ging een verhaal rond: diep op de bodem van het water lag een monster te slapen. Als ze te luidruchtig zouden zijn, zouden ze het wakker maken.

En zo leefden de dieren in stilte. Hun dorst werd gelest, maar hun vreugde bleef opgesloten. Tot er op een dag een jong hert verscheen. Hij sprong lichtvoetig naar het water, dronk, en wilde de anderen begroeten met een warme hartewens. Maar het konijn sprong op en siste: “Niet te hard! Anders wordt het monster wakker.” Het hert keek hem verwonderd aan. “Welk monster?” “Dat daar, op de bodem…” Maar het hert keek in het water, glimlachte - hij zag geen monster. Want het was er niet en was er nooit geweest.

Vanaf dat moment veranderde het bos. Er werd gelachen, gepraat, gespeeld. De beek was niet langer een plek van angst, maar van leven en verbondenheid. Dit sprookje vertelt iets over onszelf. Hoe vaak worden wij niet bang gemaakt voor monsters die er niet zijn? Hoe vaak laten we ons leiden door fluisterende stemmen die zeggen: ‘Wees stil, pas op, gehoorzaam, wees klein’? Angst, moralisme en de macht van derden (religieuze en wereldlijke leiders) houden ons gevangen in een werkelijkheid die niet de onze is. Maar er is altijd iemand – of een moment – dat ons eraan herinnert dat het monster niet bestaat.

De grote tradities vertellen ons precies dat. In het Boeddhisme spreekt men over dhamma, in de hindoeïstische traditie over dharma. Moeilijk te vertalen, maar het wijst naar datgene wat ons draagt. Het betekent zowel bestemming als zingeving, maar nog dieper: het is de dragende kracht van het leven zelf. Niet iets dat ons klein maakt, maar iets dat ons optilt. Zoals een rivier die vanzelf stroomt en ons meevoert.

De profeet Jesaja gebruikte een ander beeld. Hij schreef: “Wie hopen op de Eeuwige krijgen nieuwe kracht. Zij varen op met vleugels als van een adelaar. Zij lopen, maar worden niet moe. Zij gaan, maar raken niet uitgeput.” (Jesaja 40:31). Dat is de belofte: dat er een dragende kracht is, die ons niet laat vallen. Niet de angstbeelden, niet de monsters die ons worden voorgehouden, maar een onzichtbare, werkelijke steun, die ons tilt en verder brengt.

En Jezus voegde daar zijn eigen woorden aan toe. “Mijn juk is zacht en mijn last is licht.” Zijn boodschap is geen last die ons naar beneden trekt, maar een kracht die ons draagt. Geen monster dat ons bedreigt, maar een steun die ons bevrijdt. En wanneer hij zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven,” horen we vaak de woorden dogma, gebod of macht. Maar wat als het precies het tegenovergestelde betekent? Wat als het niet een claim is, maar een belofte? Je kunt het zo horen:

Ik ben de weg, die jou in alles ondersteunt.
Ik ben de waarheid, die jou in alles ondersteunt.
Ik ben het leven, dat jou in alles ondersteunt.
Ik ben het licht, dat jou in alles ondersteunt.

Dat is de kern van de goede boodschap: niet een juk dat ons buigt, maar een kracht die ons optilt. Niet angst, niet moralisme, niet macht – maar een belofte dat we gedragen worden.

Zoals het hert de dieren bevrijdde van hun vrees, zo bevrijden de Grote Tradities ons van de leugen van het monster. Zij herinneren ons eraan dat er onder ons bestaan een dragende kracht ligt. Niet een bedreiging, maar een belofte. Niet een vloek, maar een zegen.

En wie dat eenmaal proeft, kan opnieuw lachen, spreken, spelen. Zoals de dieren in het bos, zoals de adelaar die ons draagt, zoals het licht dat ons ondersteunt. 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Open brief aan mijn oudste dochter...

Kraai

Vraag me niet hoe ik altijd lach

Gone with the Wind (1939)

Ekster