Er wordt verteld
Er wordt verteld dat de Waarheid en de Leugen elkaar op een dag ontmoetten. Het was vroeg in de ochtend, de lucht helder, de aarde stil. De Leugen keek omhoog en zei opgewekt: “Wat een prachtige dag vandaag.” De Waarheid keek ook omhoog, zag het licht, en zweeg. Want het was zo.
Samen gingen ze verder, alsof hun weg door iets onzichtbaars verbonden was. Tot ze bij een bron kwamen. Het water lag stil en donker. De Leugen boog zich over de rand en zei: 'Kom, laten we ons baden. Het water is koel, het zal ons verfrissen.' De Waarheid liet zijn hand door het water gaan. Het voelde zacht en rein. Hij legde zijn kleren neer en daalde af in de bron. De Leugen volgde hem.Maar plotseling klom de Leugen uit het water, nam de kleren van de Waarheid, trok ze aan en verdween. De Waarheid kwam later boven, zonder masker, zonder pracht, zonder iets anders dan zichzelf. Hij liep de wereld in. Maar waar hij ook kwam, de mensen keken weg. Sommigen lachten, anderen keerden zich af. Niemand wilde hem zien zoals hij werkelijk was.
Op het plein stond intussen de Leugen, in de gewaden van de Waarheid. Zijn stem droeg ver, zijn gebaren waren groots, zijn woorden glansden als glas. De menigte verdrong zich om hem heen, luisterde ademloos, knikte instemmend. De Waarheid naderde het plein, maar niemand keek naar hem. Hij stak zijn handen uit, maar er was geen oog dat bleef hangen.
Daar raakt dit oude sprookje aan een verhaal uit het evangelie. Toen de verrezen Christus aan zijn leerlingen verscheen, was Thomas er niet bij. Toen zij hem vertelden dat zij de Heer hadden gezien, antwoordde hij: 'Eerst moet ik de wonden zien in zijn handen en zijn zijde aanraken, anders zal ik niet geloven.'
TomÔŔ HalĆk vertelt hoe dit verhaal een onverwachte wending krijgt. Hij laat de duivel verschijnen, gehuld in schitterende gewaden, blinkend, indrukwekkend. De duivel zegt tegen Thomas: 'Ik ben de Christus.' De glans en de woorden zijn overtuigend, zoals ook de Leugen overtuigt wanneer hij de kleren van de Waarheid draagt. Maar Thomas laat zich niet misleiden. Hij zegt: 'Laat mij je handen zien.' De duivel toont zijn handen. Ze zijn gaaf, zonder littekens. En Thomas weet: dit kan niet de Christus zijn. Want de ware Christus draagt zijn wonden mee, zichtbaar, onuitwisbaar.
Zo wordt duidelijk dat de Waarheid niet herkenbaar is aan pracht of overtuiging, niet aan stem of gewaad, maar aan littekens. Het zijn de sporen van geleden liefde die haar onderscheiden van de Leugen. Thomas is niet de ongelovige, maar degene die weigert genoegen te nemen met glitter en woorden. Hij zoekt naar het ene teken dat niet vervalst kan worden: de wonden.
Wanneer we dit verhaal naast de oude legende leggen, krijgen beide een nieuwe glans. De Leugen kleedt zich in de gewaden van de Waarheid en wordt toegejuicht door de massa. Hij spreekt luid, straalt zekerheid uit, en trekt velen mee. De Waarheid daarentegen staat onbedekt, eenvoudig, en de mensen wenden hun blik af. Het lijkt alsof de Waarheid geen kans maakt.
Maar HalĆk laat ons zien: er zijn altijd mensen die, net als Thomas, durven te kijken naar wat niet aantrekkelijk is. Die niet luisteren naar de stem die luid spreekt, maar naar de stilte die blijft staan. Die vragen: “Laat me je handen zien.” En dan blijkt wie werkelijk de Waarheid is.
Want de Leugen heeft geen wonden. Hij draagt een kleed, hij schittert in de zon, hij weet mensen te verleiden met toon en taal. Maar in zijn handen is niets te zien. De Waarheid daarentegen draagt littekens. Sporen van kwetsbaarheid, tekens van geleden liefde. Zij maken hem tot wie hij is.
En zo wordt Thomas niet langer de ongelovige genoemd, maar de ziener. Hij weet dat de waarheid alleen gevonden kan worden daar waar wonden niet verborgen worden, maar getoond.
De legende van de Waarheid en de Leugen en het evangelie van Thomas raken elkaar in dit inzicht: waarheid herken je niet aan uiterlijk vertoon of luidruchtige woorden, maar aan de stille tekenen van echtheid. In een tijd waarin de Leugen zich graag kleedt in de gewaden van de Waarheid en op pleinen staat te speechen, klinkt de vraag van Thomas des te sterker: 'Laat mij je handen zien.'
Maar HalĆk laat ons zien: er zijn altijd mensen die, net als Thomas, durven te kijken naar wat niet aantrekkelijk is. Die niet luisteren naar de stem die luid spreekt, maar naar de stilte die blijft staan. Die vragen: “Laat me je handen zien.” En dan blijkt wie werkelijk de Waarheid is.
Want de Leugen heeft geen wonden. Hij draagt een kleed, hij schittert in de zon, hij weet mensen te verleiden met toon en taal. Maar in zijn handen is niets te zien. De Waarheid daarentegen draagt littekens. Sporen van kwetsbaarheid, tekens van geleden liefde. Zij maken hem tot wie hij is.
Zo eindigt dit verhaal zonder uitleg. Want misschien is het beter de vraag open te laten, en de lezer zelf te laten onderscheiden: wie schittert en wie de littekens draagt?
(c) Het sprookje van de Waarheid en de Leugen stamt uit de 19e eeuw en werd beroemd door het schilderij 'La VƩritƩ sortant du puits' (1896) van de Franse schilder Jean-LƩon GƩrƓme.
Theoloog TomÔŔ HalĆk verbond dit later met de bijbelse figuur van de ongelovige Thomas en liet zien hoe de Waarheid niet schuilt in pracht en praal, maar in de wonden die zij met zich meedraagt.
Reacties
Een reactie posten